Het is heel goed mogelijk dat Adam hier in de zoete appel van Eva heeft gebeten. Het had natuurlijk net zo goed een peer kunnen zijn, die in de Quellenwijk zo talrijk aan de bomen hangt.
Eén ding is zeker: het zacht glooiende landschap heeft iets paradijselijks, vooral in de lente, wanneer de bomen gehuld zijn in witte en rozerode bloesems en elke wandeling en elke fietstocht begeleiden met hun bloesem. In de herfst – het echte feest – hullen ze zich dan in een rijk rood-geel: nu wordt de oogst binnengehaald, worden appels en peren tot sap en later tot most verwerkt, die drank die al generaties lang deel uitmaakt van de regionale genotscultuur en de smaak van het Quellenviertel in zich draagt.
Want niet alle most is hetzelfde. Er is most van peren, van appels of – en hier komen we bij de typische most uit het Quellenviertel – van beide samen. Bijzonder populair zijn de Speckbirne en de Landlbirne, twee inheemse soorten uit Opper-Oostenrijk met eeuwenoude stambomen. Klein, geel en bolvormig worden ze pas laat in het jaar geoogst en zijn een lust voor het oog van voorbijgangers.
Want het zijn de mostbomen die het Quellenviertel kenmerken. Afzonderlijk of in paren staan ze in leivorm, omzomen ze paden en straten, bedekken ze weiden en hellingen. Jonge bomen mengen zich onder oude, kleine onder grote.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat hier ook de langste fruitbomenlaan van Oostenrijk vindt. Om precies te zijn in Grieskirchen, waar honderden bomen een wandelpad van ongeveer drie kilometer lang flankeren. Dat men hier onder machtige kruinen kan wandelen en van het uitzicht kan genieten, is te danken aan een geestelijke die iets meer dan honderd jaar geleden het goddelijke idee voor deze bijzondere laan had.