De geschiedenis van de Innviertler Landler is onlosmakelijk verbonden met de Innviertler Zechen. Dit waren oorspronkelijk boerenjongensverenigingen die in de Zechentanz – een combinatie van dans (de „Eicht“), muziek, poëzie en zang – artistieke prestaties leverden. De melodie, de kenmerkende, eraan toegevoegde jodler („Almer“) en het „vervormde“ ritme in de ¾-maat maken de Innviertler Landler tot een specifieke speelvorm binnen de Oostenrijkse Ländler-familie.
Men gaat ervan uit dat de mijnwerkers rond 1850 begonnen hun eigen Landler te creëren op basis van de algemeen bekende dansfiguren, door de oorspronkelijke dansfiguren aan te passen en deze in een bepaalde volgorde samen te dansen. De Landler die eigen was aan elke mijnwerkersvereniging werd van generatie op generatie doorgegeven, maar tegelijkertijd ook steeds verder ontwikkeld.
Hoewel er in de loop der jaren zo talloze vormen van de Innviertler Landler in dans en zang zijn ontstaan, kunnen ze toch allemaal op dezelfde muziek worden gedanst vanwege hun gemeenschappelijke oorsprong.
Met de structurele veranderingen in de landbouw, de individualisering van de vrijetijdscultuur en de toegenomen mobiliteit begon vanaf de jaren vijftig een golf van sluitingen van mijnverenigingen. De Innviertler Landler wordt vandaag de dag nog steeds gedanst door ongeveer 25 tot 30 dansverenigingen, volksdansgroepen en klederdrachtverenigingen, waarbij vooral de dansverenigingen, maar ook de volksdansgroepen uit de regio, het behoud van de betreffende Landler-traditie als hun belangrijkste taak zien. Elk jaar vinden er in het Innviertel meerdere bijeenkomsten plaats, waarbij ongeveer 10 tot 15 dansgroepen en volksdansverenigingen hun Landler en andere volksdansen uitvoeren. Ook kermissen en bruiloften (vooral van de leden van de mijnwerkersverenigingen) waren en zijn deels nog steeds belangrijke gelegenheden voor de Innviertler Landler.